Dampscherm & damprem: wat is het verschil?

Het verschil tussen een dampscherm en een damprem bestaat uit de waterdampweerstand: een dampscherm heeft een μd- of sd-waarde ≥ 30 m en werkt als een bijna dampdichte barrière, terwijl een damprem heeft een sd-waarde ≈ 2–20 m en laat gecontroleerde diffusie toe. In dit artikel lees je waar je elk type plaatst aan de warme zijde, hoe interstitiële condensatie ontstaat, wanneer een variabele (intelligente) damprem logisch is, welke normen gelden (EN 13984, DIN 4108-3, WTCB TV 251), en welke fouten tot schimmel leiden. Huishoudens produceren gemiddeld 8–12 liter waterdamp per dag; luchtlekken transporteren tot 10–100 keer meer vocht dan diffusie, waardoor luchtdichtheid en correcte aftaping doorslaggevend presteren.

Wat is het verschil tussen een dampscherm en een damprem?

Het verschil tussen een dampscherm en een damprem bestaat uit de waterdampdiffusieweerstand uitgedrukt als sd-waarde of μd-waarde: een dampscherm is vrijwel dampdicht met sd ≥ 30 m en een damprem heeft sd ≈ 2–20 m en laat beperkte diffusie toe. Een dampscherm voorkomt dat warme, vochtige binnenlucht in de constructie condenseert; een damprem remt het transport en bevordert gecontroleerde droging in samengestelde bouwdelen. De termen dampbarrière, dampdichtingsfolie, waterdampbarrière en PE-folie 0,2 mm vallen onder dampscherm. De termen dampremmende folie, variabele damprem, klimaatfolie vallen onder damprem.

Wat betekenen μ-waarde en sd-waarde precies?

De μ-waarde is de materiaalgebonden diffusieweerstand (dimensieloos). De sd-waarde <strong=is de equivalente luchtlaagdikte in meter en wordt berekend als μ × d (d in meter). Een hogere sd betekent meer weerstand tegen damptransport.

Wat betekent dampdicht versus dampopen in de praktijk?

Dampdicht is sd-waarde hoog en diffusie zeer laag. Dampopen is sd-waarde laag en diffusie hoger. Dampschermen zijn dampdicht; onderdaken en regenschermen zijn dampopen.

Welke functies vervullen dampscherm en damprem in de bouwfysica?

Een dampscherm werkt als strikte barrière tegen diffusie. Een damprem stuurt dampstromen zodat droging naar binnen of naar buiten mogelijk blijft afhankelijk van opbouw.

Wanneer kies je een dampscherm en wanneer een damprem?

Een dampscherm past bij constructies met beperkt droogvermogen naar buiten of met hoge binnenbelasting. Een damprem past bij opbouwen met dampopen buitenzijde en behoefte aan gecontroleerde droging.

Wat betekenen sd-waarde en μ-waarde voor damptransport?

De betekenis van sd-waarde en μ-waarde voor damptransport is dat zij de weerstand tegen waterdampdiffusie kwantificeren en bepalen of condensatie optreedt in een gelaagde opbouw. EN 13984 classificeert dampremmende en dampdichte folies op basis van deze parameters, terwijl DIN 4108-3 definieert toelaatbare condenshoeveelheden per winterperiode en vereist droging in de zomer.

Hoe meet en rapporteer je sd-waarde volgens EN 13984?

Producenten geven sd-waarde op volgens genormeerde testprocedures; etiketten en datasheets vermelden sd in meter.

Welke grenswaarden gelden vaak in praktijk?

Dampscherm: sd ≥ 30 m. Damprem: sd ≈ 2–20 m. Variabele damprem: sd-venster ≈ 0,2–25 m (seizoensafhankelijk).

Hoe helpt een Glaser-berekening bij ontwerp?

Een Glaser-berekening schat maandgemiddelde dampdrukprofielen, bepaalt condensatiezones en toetst droging in de zomer. Invoer omvat sd-waarden, laagdiktes, binnen- en buitenklimaat.

Welke termen gebruik je consistent?

Termen die consistentie vragen zijn sd-waarde, μ-waarde, dampopen, dampdicht, luchtdichtheid, interstitiële condensatie.

Waar plaats je een dampscherm of damprem in de opbouw?

De plaats van een dampscherm of damprem is aan de warme binnenzijde van de isolatie, direct achter de binnenafwerking, zodat warme, vochtige binnenlucht de isolatie niet bereikt. Onderdakfolie of regenscherm zit aan de koude zijde en blijft dampopen. Voorbeelden per bouwdeel volgen in de subsecties.

Hoe ziet een hellend dak met binnenafwerking gips eruit?

Binnenafwerking gipskarton, damprem/dampscherm, isolatie (glaswol/rotswol), onderdakfolie dampopen, tengels/latten, dakpannen. De damprem ligt achter gips, alle naden zijn afgeplakt.

Hoe ziet een plat dak (warm dak) eruit?

Van binnen naar buiten: plafond, bitumineus dampscherm op draagvloer, isolatie (PIR/EPS), dakbedekking (bitumen/kunststof). Het bitumineus dampscherm zorgt voor hoge sd en luchtdichtheid.

Hoe ziet een houtskeletbouw wand eruit?

Gipskarton, damprem (eventueel variabel), stijlen met isolatie (cellulose/glaswol), winddichte regenschermfolie buiten, geventileerde spouw, gevelafwerking.

Wat is het verschil tussen dampscherm en onderdak?

Een dampscherm is een binnenlaag met hoge sd. Een onderdak is een buitenlaag die water weert en laat waterdamp door (dampopen).

Welke risico’s op condensatie en schimmel adresseert elk systeem?

De risico’s op condensatie en schimmel die elk systeem adresseert zijn interstitiële condensatie in de isolatie, condens achter gipsplaat en vochtophoping bij koudebruggen; een dampscherm blokkeert diffusie bijna volledig, een damprem reduceert het en faciliteert droging bij gunstige klimatologie. Luchtlekken veroorzaken de grootste vochttransporten, waardoor luchtdicht afwerken prioriteit krijgt.

Wat betekent interstitiële condensatie en dauwpunt?

Interstitiële condensatie ontstaat waar partiële dampdruk de verzadigingsdruk kruist; het snijpunt is het dauwpunt. Dit leidt tot vocht in materiaalporiën.

Hoe beïnvloedt luchtdichtheid het risico?

Ongecontroleerde luchtstromen brengen 10–100× meer waterdamp mee dan diffusie. Afplakken van naden, kieren en doorvoeren verlaagt het risico drastisch.

Wat gebeurt er in winter versus zomer?

Winter: dampstroom naar buiten; risico op condens in koude lagen. Zomer: omgekeerde diffusie; droging naar binnen vereist voldoende lage sd of variabele sd.

Welke uitvoeringsfouten veroorzaken problemen?

Onderbroken folie, niet-aftapen van naden, lekke aansluitingen op kozijnen en balkkoppen, doorboringen zonder manchetten, verkeerde zijde van de isolatie.

Wat doen variabele (intelligente) dampremmen in de praktijk?

Variabele dampremmen veranderen hun sd-waarde met het omgevingsvocht en schakelen van sterk remmend in de winter (sd ≈ 5–25 m) naar meer open in de zomer (sd ≈ 0,2–2 m), waardoor constructies met dampopen buitenzijde sneller drogen. Dit vermindert schimmelrisico achter gipskarton en verhoogt fouttolerantie bij renovatie.

Hoe werkt de variabele sd-waarde?

Hydrofiele polymeerstructuren absorberen vocht en verlagen diffusieweerstand bij hoge relatieve luchtvochtigheid; bij droge condities stijgt sd.

Waar leveren ze de meeste meerwaarde?

Dak- en wandopbouwen met dampopen buitenzijde, na-isolaties met onbekend buitenmembraan, vloeren boven onverwarmde ruimtes met zomeropwarming.

Welke grenzen en aandachtspunten gelden?

Bij dampdichte buitenlagen (bv. EPDM op koud dak) blijft droging naar buiten beperkt; ontwerp dan met hogere binnen-sd of pas de opbouw aan.

Hoe verhouden ze zich tot vaste dampremmen?

Vaste dampremmen houden een stabiel sd-gebied aan en bieden voorspelbaar gedrag; variabel past zich aan en bevordert zomer-droging.

Hoe voer je een luchtdichte, damptechnisch correcte montage uit?

Een correcte montage bestaat uit ononderbroken folie aan de warme zijde, voldoende overlap, volledige aftaping en dichte aansluiting op randen en doorvoeren. De predicateis luchtdichtgeldt pas na sluitende detaillering en controle.

Hoe overlap en tape je de naden?

Overlappen 100–150 mm, mechanisch fixeren, naden aftapen met damprem-tape over stofvrije, droge ondergrond.

Hoe dicht je doorvoeren af?

Gebruik elastische manchetten en mastics; drukvlakken zijn continu en trillingsvast.

Hoe sluit je aan op kozijnen en randen?

Voorzien van primer waar nodig, gebruik systeemtapes, werk hoeken met voorgevormde stukken uit, vermijd plooien.

Hoe gebruik je plaatmateriaal als damprem?

OSB3 met afgeplakte voegen functioneert als damprem (sd ≈ 2–10 m afhankelijk van dikte); alle naden en aansluitingen blijven luchtdicht afgewerkt.

Welke materialen en laagtypes gebruik je voor dampschermen en dampremmen?

De materialen en laagtypes voor dampschermen en dampremmen omvatten PE-folies, aluminiumgelamineerde folies, variabele klimaatfolies en bitumineuze dampschermen voor platte daken. De tabel geeft typische eigenschappen per type.

De meest toegepaste laagtypes en hun kenmerken staan hieronder.

Type laagOmschrijvingTypische sd-waardeToepassing
Dampscherm (PE 0,2 mm)Polyethyleenfolie, 200 μm≥ 50 mWanden en daken binnenzijde
Aluminium dampschermAlu-gewapend, reflecterend100–1500 mHoge dampdichtheid, renovatie
Damprem (vast)PE/PA/Papier-composiet2–20 mHoutskelet, dampopen buitenzijde
Variabele dampremPolyamide/klimaatfolie0,2–25 m (seizoensafhankelijk)Renovatie, verhoogde droogreserve
Bitumineus dampschermSBS/APP-rol, gelast≥ 1500 mPlatte daken (warm dak)

Welke tapes en mastics gebruik je?

Acryl- en butyltapes voor naden en aansluitingen, elastische manchetten voor doorvoeren, bitumineuze hechtlagen voor platte daken.

Welke isolaties combineren goed?

Glaswol, rotswol, cellulose in dampopen systemen; PIR, EPS onder dakbanen bij warme daken met bitumineus dampscherm.

Hoe verschilt de toepassing per daktype en isolatiemateriaal?

De toepassing per daktype en isolatiemateriaal verschilt door droogrichting en buitenmembraan: hellende daken met pannen en dampopen onderdak gebruiken vaak dampremmen (vast of variabel), platte warme daken met bitumineuze toplaag gebruiken bitumineuze dampschermen met zeer hoge sd.

Wat werkt bij hellende daken met glaswol of rotswol?

Een vaste of variabele damprem met sd 5–10 m, volledig luchtdicht afgewerkt, biedt voldoende weerstand en droging naar buiten via dampopen onderdak.

Wat werkt bij platte daken met PIR of EPS?

Een gelast bitumineus dampscherm op de draagvloer, PIR/EPS isolatie en waterdichte toplaag leveren een warm-dak opbouw met minimale dampinflux.

Hoe bereken je condensrisico met de Glaser-methode?

Het condensrisico met de Glaser-methode bepaal je door maandgemiddelde dampdrukken en temperatuurprofielen per laag te evalueren en de condensmassa te toetsen aan de grens uit DIN 4108-3. De uitkomst bevestigt of droging in de zomer de wintercondens compenseert.

Welke invoer gebruik je?

Laagdiktes, λ-waarden, μ/sd-waarden, binnen- en buitenklimaat, oppervlakweerstanden.

Hoe interpreteer je het resultaat?

Als wintercondens optreedt, vereist de opbouw voldoende zomer-droging; anders volgt aanpassing van sd-waarden of laagopbouw.

Welke normen en richtlijnen gelden voor dampschermen en dampremmen?

De normen en richtlijnen voor dampschermen en dampremmen zijn EN 13984 voor producteisen en prestatieverklaringen, DIN 4108-3 voor condensatiebeoordeling en droogvereisten, en WTCB TV 251 voor luchtdichtheidsdetails in de Benelux. Deze documenten onderbouwen ontwerpkeuzes en detaileringseisen.

Wat schrijft EN 13984 voor?

Productclassificatie, proefmethoden, markering en prestatieverklaring voor dampremmende en dampdichte lagen.

Wat behandelen DIN 4108-3 en WTCB TV 251?

Toelaatbare condensmassa en benodigde droging (DIN 4108-3) en luchtdichtheidsprincipes, details en testmethoden (TV 251).

Wat kost een dampscherm of damprem inclusief plaatsing?

De kosten voor een dampscherm of damprem inclusief plaatsing liggen typisch tussen €8–€25 per m² voor binnenfolies en €15–€35 per m² voor bitumineuze dampschermen op platte daken, afhankelijk van folieklasse, detaillering en bereikbaarheid. Faalherstel door lekken verhoogt totaalkosten met 10–30% bij renovaties.

Een prijsindicatie per type en activiteit staat hieronder.

PostOmschrijvingRichtprijs (€/m²)
Damprem (vast/variabel)Folie, tape, standaard details8–18
Dampscherm PE/aluminiumHogere sd, tape, aansluitingen12–25
Bitumineus dampschermGelast, overlaps, details15–35
Extra detailleringManchetten, complexe kozijnaansluiting+3–7

Welke factoren sturen de prijs het meest?

Aantal doorvoeren, complexiteit van randaansluitingen, nood aan variabele folie, steigerwerk en bereikbaarheid.

Hoe beperk je faalkosten?

Vooraf detailplan, systeemconsistentie, volledige aftaping, tussentijdse inspectie en eindcontrole.

Welke fouten komen het vaakst voor bij dampscherm en damprem?

De meest voorkomende fouten bij dampscherm en damprem omvatten onderbroken folie bij installatie, afwezig of onvolledig aftapen, verkeerde plaatsing (koude zijde), perforaties zonder manchetten en onbekende buitenlagen die droging blokkeren. Deze fouten leiden tot condens achter gipsplaat en schimmelplekken.

Welke snelle checks helpen op de werf?

Controleer overlaps, tapecontinuïteit, doorvoermanchetten, hoekdetails en aansluiting op ruwe vloer en plafond.

Wanneer kies je in welke situatie voor dampscherm of damprem?

De keuze voor dampscherm of damprem per situatie volgt uit buitenmembraan, isolatiemateriaal en klimaat: dampdichte buitenlagen en hoge binnenbelasting vragen een dampscherm; dampopen buitenlagen met wens tot zomer-droging gebruiken een damprem (vast of variabel) met sd afgestemd op de opbouw.

De aanbevelingen per bouwdeel staan hieronder.

  • Plat dak warm dak. Bitumineus dampscherm met zeer hoge sd, PIR/EPS isolatie.
  • Hellend dak met dampopen onderdak. Damprem sd 5–10 m of variabel.
  • Houtskeletwand met geventileerde spouw. Damprem sd 3–10 m met volledige luchtdichting.
  • Renovatie met onbekende buitenlaag. Variabele damprem voor verhoogde droogreserve.

Hoe helpt Dakbedekking Breda bij keuze, ontwerp en uitvoering?

Dakbedekking Breda biedt gratis en vrijblijvende offerte-aanvragen, verzorgt vergelijking van meerdere lokale dakdekkers en levert inhoudelijke begeleiding over dampschermen, dampremmen, kosten en uitvoering. Aanvragen leveren tot vijf offertes op, waardoor prijs en detailkwaliteit snel vergelijkbaar blijven.

Welke situaties vragen om advies van Dakbedekking Breda?

Platte daken met nieuwe isolatie, na-isolatie hellend dak, houtskeletbouw, vochtproblemen achter gips, onduidelijke bestaande opbouw.

Wat ontvang je bij een aanvraag?

Specificatie van folieklasse, detailvoorstellen voor luchtdichtheid, kostenraming per m² en planning.

Welke begrippenlijst helpt bij interpretatie van dit onderwerp?

De definities hieronder ondersteunen een correcte interpretatie.

  • Dampscherm. Is een bijna dampdichte laag met sd ≥ 30 m die diffusie vrijwel volledig blokkeert.
  • Damprem. Is een remmende laag met sd ≈ 2–20 m die gecontroleerde diffusie toelaat.
  • Variabele damprem. Is een vochtgestuurde laag met sd 0,2–25 m afhankelijk van RV.
  • μ-waarde. Is dimensieloze diffusieweerstand van het materiaal.
  • sd-waarde. Is equivalente luchtlaagdikte (m) en wordt berekend als μ × d.
  • Interstitiële condensatie. Is condensatie binnen een meerlaagse constructie.
  • Luchtdichtheid. Is de mate waarin luchtlekken afwezig zijn in de schil.

Welke vergelijkingstabel vat de verschillen samen?

De kernverschillen tussen dampscherm en damprem staan hieronder.

KenmerkDampschermDamprem
sd-/μd-waarde≥ 30 m≈ 2–20 m (variabel 0,2–25 m)
DampdoorlatendheidZeer laagLaag tot matig
FunctieVoorkomt bijna alle diffusieRemt diffusie, bevordert droging
Plaats in opbouwWarme binnenzijdeWarme binnenzijde
Typische opbouwenWarm dak, dampdichte buitenlaagHoutskelet, dampopen buitenzijde

Het onderscheid komt neer op weerstand tegen waterdampdiffusie: een dampscherm is bijna dampdicht met sd ≥ 30 m en voorkomt condensatie door diffusie, een damprem stuurt diffusie met sd ≈ 2–20 m en ondersteunt droging bij dampopen buitenlagen. Correcte plaatsing aan de warme zijde en volledige luchtdichtheid reduceren het grootste vochtrisico. Voor een opbouw op maat en prijsvergelijking verzorgt Dakbedekking Breda een snelle, vrijblijvende offerte-aanvraag met technische specificaties afgestemd op jouw dak.

Table of Contents